| Gods nieuwe verbond met de mensen is gebaseerd op het leven, de dood en de opstanding van Jezus.
Door Jezus onstaat er een nieuwe relatie tussen God en de mens. In Jezus bevrijdt God de mensen van de
zonde, van de angst en van hun eigen lage en zelfzuchtige levens. Ze worden geroepen om zichzelf
helemaal aan Hem te schenken en te pogen Zijn wil te doen. Ze worden geroepen om het goede nieuws aan
andere mensen te vertellen. De vroege Gemeente bestond eerst uit de mensen die persoonlijk met Jezus gereisd hadden en Hem na de opstanding gezien hadden. Deze mensen, 'Apostelen' (wat betekent 'de gezondenen') waren de eerste Christelijke predikers. Door hen kwamen anderen ertoe Jezus te aanvaarden als de Christus en de Heer. De jonge Gemeente groeide en breidde zich uit met de hulp en onder leiding van de Heilige Geest. Dit deel van het verhaal van het Nieuwe Testament vind je in het boek Handelingen of Handelingen van de Apostelen. A. DE GEMEENTEALS EEN NIEUWE GEMEENSCHAP Dank zij Jezus Christus, wisten de eerste Christenen dat ze in een nieuwe verhouding tot God stonden. Ze wisten hoezeer God hen liefhad en dat het Zijn wens was dat de mensen Hem zouden liefhebben en vertrouwen. Ze hadden met Hem een nieuw verbond gesloten, een verbond dat zelfs belangrijker was dan datgene dat hun vaderen verbroken hadden. Deze nieuwe relatie steunde op Jezus en op wat Hij getoond had in verband met God. Het nieuwe verbond had nog een ander aspect. Omdat alle nieuwe Christenen Jezus vereerden als Heer en God als de Vader van alles, onstond er ook een nieuwe onderlinge verhouding tussen hen. Samen vormden ze een nieuwe gemeenschap. Ze deelden de trouw aan een Heer, het geloof dat God optrad in de geschiedenis, hun trouw aan de leer van Jezus en hun toekomstige hoop. De nieuwe gemeenschap die bestond uit de volgelingen van Jezus draagt verscheidene namen in het Nieuwe Testament. Een van de eerste was 'de Weg' (Handelingen 9:2; 19:9 en 22:4). De Apostel Paulus noemde ze 'een heilige tempel' en 'een woonstede Gods' (Efeziërs 2:21-22). Hij vergeleek de Gemeente met een echtgenote, die onderdanig is aan haar man (Efeziërs 5:21-24). Op al deze manieren wordt de gemeenschap van Christenen beschreven. Wij noemen ze meestal de Gemeente of de Gemeente van Christus (Romeinen 16:16). De vroege Gemeente was in vele opzichten een voorbeeld van wat het betekent een groep volgelingen van Jezus te zijn. Om te beginnen, waren deze Christenen tot de Gemeente toegetreden door zich te bekeren van hun zonden, Christus als Heer te belijden, en zich te laten dopen in Hem. Ze probeerden zo te leven dat hun leven de liefde van Jezus Christus voor alle mensen zou uitstralen. Dat betekent niet dat ze altijd precies leefden zoals ze moesten of zoals God het zou gewild hebben. Het Boek der Handelingen en de Brieven van het Nieuwe Testament leren ons dat ze in vele opzichten faalden. Ze waren slechts gewone mannen en vrouwen, en God had hen niet zoals in het Oude Testament geroepen omdat ze al rechtschapen waren, maar om van hen rechtschapen mensen te maken (1 Petrus 2:9-10). Dadelijk na de eerste prediking van Petrus op Pinksteren, na Jezus' opstanding, bekeerden zich 3000 mensen, die in Christus werden gedoopt en die Zijn Gemeente vormden (Handelingen 2:41). Als we even een kijkje nemen hoe deze groep leefde kunnen we ons een idee vormen hoe het dagelijkse leven in de eerste Gemeente eruit zag. Zo beschreef Lucas hen, Handelingen 2:42-47 "En zij bleven volharden bij het onderwijs der Apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. En er kwam vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschieden door de Apostelen. En allen, die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk; en telkens waren er, die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen, die er behoefte aan hadden; en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, en zij loofden God en stonden in de gunst bij het gehele volk. En de Here voegde dagelijks toe aan de kring, die behouden werden." Uit deze beschrijving leren we verscheidene dingen over de nieuwe Christenen. Ze verlangden vurig te studeren en meer te leren over Jezus en Zijn leer. Ze waren erom bezorgd zoveel mogelijk tijd te besteden aan het eren van God en de gemeenschap. Vrijgevig hielpen ze al wie in nood was, net zoals Jezus gedaan had. En voortdurend vertelden ze het goede nieuws van Jezus aan andere mensen. B. DE UNIVERSELE GEMEENTE Een belangrijk verschil met het Oude Verbond, is het feit dat het Nieuwe Verbond bedoeld is voor alle volkeren en niet alleen voor een uitverkoren natie. We kunnen dus zeggen dat de Gemeente 'universeel' is. Daarmee wordt bedoeld dat alle mensen van elk ras, volk of herkomst in haar schoot welkom zijn. De allereerste Gemeente bestond nochtans bijna uitsluitend uit joodse mensen. Zij waren het volk dat een Messias verwachtte, en alhoewel de meesten onder hen Jezus verwierpen, omdat Hij niet de soort Messias was die ze verwacht hadden, werd het Evangelie eerst aan hen gepredikt. In feite ontleende de eerste Gemeente vele vormen van eredienst aan de eredienst van de synagogen. De synagogen waren kleine religieuze centra, die opgericht werden overal waar joden leefden. Ze gingen erheen om eredienst te houden en om de Schrift te bestuderen. Enkele van de eerste Christelijke preken werden gehouden voor een joods publiek in synagogen (zie, bvb. Handelingen 13:15-43). Maar toen Jezus de laatste maal bij Zijn leerlingen was, had Hij hun gezegd: "Maakt al de volken tot Mijn discipelen" (Matteus 28:19) en daarmee bedoelde Hij ook dat het goede nieuws aan de heidenen, of de niet-joden, moest gebracht worden. Heidenen en joden stonden tot dan toe als vijanden tegenover elkaar, maar nu moesten ze broeders in Jezus Christus worden. Het eerste verhaal in het Nieuwe Testament over de bekering van een heiden tot het Christendom is het verhaal van Cornelius (Handelingen 10: 1-11:18). Dat Lucas deze gebeurtenis zo uitvoerig behandelt in zijn geschriften bewijst ons dat het voor de eerste Gemeente een heel belangrijke zaak was. In die tijd beschouwden sommige joden, die Jezus Christus aanvaard hadden en leden van de eerste Gemeente waren geworden, de nieuwe weg als een ander verbond tussen God en het joodse volk. Maar na die gebeurtenis moesten ze wel inzien dat Jezus gekomen WAS om alle mensen van alle volkeren te redden. Cornelius was een Romeinse honderdman, een soldaat met een belangrijke graad. Alhoewel hij niet tot het joodse volk behoorde, loofden hij en zijn familie God. Ze baden voortdurend en gaven geld aan de armen. Op een dag had Cornelius oen visioen waarin God hem zei een man genaamd Petrus te laten zoeken. Cornelius deed dit onmiddellijk. De volgende dag, terwijl Cornelius' dienaars op zoek waren naar Petrus, was deze laatste in gebed op het dak van een huis. Petrus kreeg toen een vizioen. Hij zag uit de hemel een groot laken neerkomen, gevuld met allerlei soorten dieren en vogels. Hij hoorde Gods stem: "Sta op Petrus, slacht en eet." Maar Petrus wou niet want deze dieren waren verboden voedsel volgens de joodse wetten. Toen hoorde Petrus nogmaals de stem van God: "Wat God rein verklaard heeft, moogt gij niet voor onheilig houden." Hetzelfde gebeurde nog tweemaal en Petrus kon maar niet begrijpen wat het te betekenen had. Ondertussen bereikten de boden van Cornelius het huis waar Petrus verbleef en nog steeds nadacht over zijn vizioen. Ze riepen hem van bij de deur. De Geest zei hem dat hij met hen moest meegaan. Hij kwam dadelijk naar beneden en ging met hen naar Cornelius' huis. Cornelius, die Petrus verwachtte, had een aantal vrienden samengeroepen. Toen hij hen zag, zei Petrus, Handelingen 10:28: "Gij weet, hoe het een jood verboden is zich te voegen bij of te gaan tot een niet-Jood; doch mij heeft God doen zien, dat ik niemand onheilig of onrein mag noemen." Petrus predikte het Evangelie voor deze samengekomen heidenen en zij die hem hoorden werden gedoopt in Jezus Christus. Deze gebeurtenis veroorzaakte nogal wat beroering onder de joodse Christenen. Sommigen, die hoorden dat Petrus heidenen had opgezocht en met hen gegeten had, waren diep geschokt en ze riepen Petrus om zijn gedrag te verklaren. Hij verteldë zijn vizioen en wat het betekende, want nu wist hij het. Hij vertelde hoe de Geest hem de opdracht gaf met de boden mee te gaan en hoe hij bij de enthousiaste groep kwam die op hem wachtte in Cornelius' huis. En toen vroeg Petrus hun, Handelingen 11:17-18 "'Indien nu God hun op volkomen gelijke wijze als ons de gave heeft gegeven op het geloof in de Here Jezus Christus, hoe zou ik dan bij machte geweest zijn God tegen te houden?' En toen zij dit gehoord hadden, kwamen zij tot rust en verheerlijkten God, zeggende: 'Zo heeft dan God ook de heidenen de bekering ten leven geschonken.'" Van toen af werd de opdracht van de Gemeente uitgebreid. Paulus de Apostel, die bekend werd als 'de Apostel van de heidenen' sprak over de eenheid van alle mensen in de Gemeente van Jezus Christus toen hij zei, Galaten 3:28: "Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf en vrije, van mannelijk of vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus." Jezus had de muur die tussen hen stond, weggebroken zoals niemand anders in staat scheen dat te kunnen (zie Efeziërs 2:14 en Kolossenzen 3:11). C. HET ZENDELINGSWERK VAN DE GEMEENTE Nu ze verstonden dat God het Evangelie voor allen bedoeld had, brandde de Gemeente van verlangen om het goede nieuws van Jezus naar alle landen en volkeren te brengen. De Gemeente te Antiochië was de eerste, die besloot dat één van de doeltreffende middelen om het Evangelie aan de wereld mede te delen, het uitzenden was van mensen die van land tot land zouden reizen en prediken. Paulus en Barnabus werden gekozen om de eerste zendelingenreis te maken. Eerst scheepten ze in naar het eiland Cyprus in de Middellandse Zee en dan naar het noorden, naar het vasteland yan Klein-Azië. Daar bezochten ze meerdere steden in de provincie Galatië. Dikwijls gingen ze naar de joodse synagogen op de dagen dat er vergaderingen waren en spraken er tot de aanwezigen. Toen ze een reeks plaatsen bezocht hadden, maakten Paulus en Barnabus rechtsomkeer en keerden terug naar de steden, die ze aangedaan hadden. Ze moedigden de nieuwe Christenen aan, leerden hun meer over Jezus, organiseerden hen in Gemeenten en hielpen hen leiders uit hun midden te kiezen. De zendelingen deden vele goede werken en ontmoetten vele mensen, die bereid waren naar hun woorden te luisteren, maar ze hadden ook vele moeilijkheden. In één van die steden probeerden enkele boos geworden mensen Paulus te doden met stenen en het scheelde niet veel of hij stierf daar. Maar toen ze terugkeerden naar Antiochie konden ze melden dat God "een deur des geloofs had geopend" (Handelingen 14:27). Nadien maakten Paulus en Barnabus afzonderlijk nieuwe reizen. Paulus nam Silas mee en Barnabas, Johannes Marcus. Paulus en Silas keerden terug naar alle nieuwe Gemeenten die tijdens de eerste reis in Galatië ontstaan waren. , Timoteus voegde zich bij hen in Lystra. Ze reisden in Klein-Azië en nadien in Macedonië aan de andere kant van de Egeische Zee. Toen Paulus in die steden predikte, ging hij opnieuw eerst naar de synagogen. Maar nogmaals stelde hij vast dat de heidenen meer bereid waren naar hem te luisteren dan de joden. Tijdens de tweede reis verbleef Pau]us het langst in Korinthe, waar hij ongeveer anderhalf jaar bleef. Hij werkte als tentenmaker, terwijl hij voortging met prediken voor allen die wilden luisteren. Dan stak hij opnieuw de Egeïsche Zee over om Efeze te bezoeken en dan over de Middellandse Zee naar Jeruzalem en dan weer naar het noorden, naar Antiochië. De derde maal dat hij Antiochië verliet, keerde Paulus terug naar het merendeel van de jonge Gemeenten, die hij bij hun ontstaan geholpen had. Toen hij in Efeze aankwam, was daar zoveel goed werk dat hij kon doen, dat hij er bijna drie jaar bleef. Toen hij daar was deed hij een geldinzameling voor de Gemeente van Jeruzalem, die vooral uit joodse mensen bestond, waarvan velen arm waren. Tegen de tijd dat hij Jeruzalem bereikte, had hij een hele som geld verzameld in alle heidense Gemeenten, die hij bezocht had. In Jeruzalem kreeg Paulus het echter aan de stok met de joodse overheid. Hij werd aangehouden en in de gevangenis geworpen. Na een tijd werd hij naar Rome overgeplaatst, waar zijn geval door de Romeinse overheid moest behandeld worden. Na een zeereis met een vreselijke storm en een schipbreuk, kwam Paulus in Rome aan. Wanneer het boek der Handelingen eindigt, zit Paulus nog altijd gevangen in Rome, maar de Romeinen geven hem de toelating in een huis te gaan wonen onder de bewaking van een enkele soldaat. Daar schreef hij vele brieven, die deel uitmaken van ons Nieuw Testament. Klaarblijkelijk werd Paulus na ongeveer twee jaar vrijgelaten,zodat hij weer een beetje meer kon reizen, (1 Timoteus 1:3; 3:14) totdat hij opnieuw gevangen werd genomen (2 Timoteus 1:15-17; 2:9; 4:16-18) en tenslotte in Rome werd terechtgesteld. Paulus was één van de grote zendelingen van de vroege Gemeente maar toen hij stierf, waren heel veel Christenen in vele landen het Evangelie aan het onderrichten en aan 't prediken. Alle Christenen van de jonge Gemeente, waar ze ook leefden of welke ook hun alledaagse bezigheid was, geloofden dat zij ook het Evangelie konden verspreiden door de wijze waarop ze leefden. Ze konden de liefde van God in Christus tonen door Zijn geboden na te leven en vriendelijk en liefdevol te zijn tegenover de andere mensen. Dat levend onderricht, dat nog altijd belangrijk is in het leven van elke Christen, had samen met het onderricht van de zendelingen tot gevolg dat het goede nieuws van Jezus vele mensen bereikte. D. DE GESCHRIFTEN VAN DE GEMEENTE Zoals we reeds zagen in hoofdstuk 3 bestaat een groot deel van ons Nieuw Testament uit brieven gericht aan Gemeenten of aan individuele Christenen. Slechts enkele volgelingen van Jezus Christus hadden Hem werkelijk gehoord of gezien en omdat er toen geen boek met gesèhriften over Hem bestond, onderrichtte men nieuwe Christenen door middel van brieven. Die brieven dienden ook om nieuws bij de Gemeenten te verspreiden, zoals bijvoorbeeld dat Paulus een geldinzameling deed ten voordele van de Gemeente te Jeruzalem (1 Korintiërs 16:1-4). Bijna altijd bevatten ze ook enkele persoonlijke groeten. Sommige van deze brieven werden door boden van de ene Gemeente naar de andere gebracht, zodat vele groepen Christenen iets van de schrijver konden leren. Van de Brief aan de Efeziers denkt men dat het in feite ging om een rondschrijven, dat naar vele groepen moest gestuurd worden. Na een hele tijd, beseften de leiders van de Gemeente dat de Apostelen en de mensen, die Jezus tijdens Zijn leven ontmoet hadden, een voor een stierven. Ze begonnen hun geschriften te verzamelen, opdat de Gemeente over een blijvend document van hun hand zou beschikken. Hoe die verzameling ons Nieuw Testament is geworden, kan je lezen in hoofdstuk 7. We weten dat er zich vele problemen voordeden in de vroege Gemeente. De brieven van Paulus en van anderen spreken erover. Maar we weten ook dat de Geest deze eerste Christenen bijstond om hen te leiden en te helpen in hun inspanningen om te leven zoals Jezus leefde en onderwees en om het goede nieuws van Jezus aan anderen te vertellen. En er werd ons beloofd dat diezelfde Geest ook vandaag aan onze zijde zal staan als we het werk van de Gemeente voortzetten.
|